In Rolduc leerde hij Christ de Wijs kennen, de zoon van de president van de Tilburgse harmonie 'Orpheus'. Via hem vestigde hij zich in 1876 aan de Goirkestraat te Tilburg als handelaar in piano's, orgels en muziek. Hij werd direct aangesteld als organist van de parochiekerk en later ook als dirigent van het kerkkoor van 't Goirke. Tot 1886 was hij instructeur van de Nieuwe Koninklijke Harmonie en vanaf 1889 ruim 17 jaar dirigent van de Goirlese Harmonie 'Oefening en Uitspanning'.
Opmerkelijk detail in verband met de oprichting van St. Caecilia is de toelichting die
Henri Daniëls (begin 1900 voorzitter van de harmonie 'Tilburgse Capelle' ) geeft in zijn brief gericht aan Lambert de Wijs: "Willem Reijniers werd benoemd tot organist van 't Goirke, waarbij één van de kerkmeesters, Christ de Wijs, hem beloofde dat hij directeur kon worden van de harmonie 'Orpheus' en hare Liedertafel. De Wijs meende, daar hij president van de harmonie was, dit wel te kunnen bereiken. Directeur van de harmonie was toen Henri Groenendaal, die een gezin had van ruim 13 kinderen. Die hield in die tijd nogal van een glaasje, wat als motief moest dienen voor het bedanken. Het voorstel van De Wijs, Reijniers als directeur te benoemen werd door de leden afgewezen. Dit had tot gevolg dat de meerdere leden bedankten. Deze heren hebben toen, met nog enkele anderen, onder directie van W. Reijniers St. Caecilia opgericht ".
Reijniers was dus op 21 februari 1877 samen met de zogeheten Congregatie der Jongelingen (… enkele anderen) en bovengenoemde 'heren' de medeoprichter en eerste directeur van de 'Liedertafel St. Caecilia', die al direct deel ging uitmaken van de Zouavenbroederschap 'Fidei et Virtuti'. Officieel treedt St. Caecilia, in de volksmond Zouavenkoor genoemd, met een 16-tal zangers op 26 augustus 1877 voor het eerst in het openbaar op als koor van de broederschap. De Tilburgsche Courant zegt er het volgende van: " … Gaarne bekennen wij in onze stad nog weinig zulke goed geslaagde concerten bijgewoond te hebben en geen wonder dus dat na afloop door den president warme hulde werd gebracht aan de ijvervolle Congregatie St. Caecilia en haren bekwamen directeur … ".
Uit een verslag van de herdenking van de overwinning der Zouaven op 5 november 1877 blijkt dat St. Caecilia schitterend werk leverde. Dat Reijniers al na een half jaar tot buitengewoon erelid werd benoemd toont aan hoe zeer hij door de broederschap gewaardeerd werd. Hij heeft het koor dertig jaar op de weg der kunst naar triomfen geleid. Willem Rijniers werd in 1907 als directeur van St. Caecilia opgevolgd door Gérard Schellekens.
Ook als componist - met name van kerkmuziek - had Reijniers een grote naam verworven. Hij componeerde enige missen , een 'Te Deum', lofzangen en orgelstukken. Voorts schreef hij liederen, cantates, stukken voor mannenkoor, een mars en gelegenheidszangen. Het lied 'De Almachtige' komt tot 1940 nog regelmatig op het concertprogramma van St.Caecilia voor.
Willem Reijniers overleed na een slopende ziekte op 16 februari 1908 en werd onder grote belangstelling van zijn verenigingen en de Tilburgse gemeenschap ter aarde besteld op het kerkhof van 't Goirke. Na zijn dood werden zijn lespraktijk en de pianohandel voortgezet door zijn dochter Anna, een verdienstelijk pianiste en violiste.
In Tilburg is een pad van de Vlashoflaan tot de Heikantlaan naar hem vernoemd, het 'Reijnierspad'.